01 -
Verwarm de oven voor op 170 °C boven- en onderwarmte of 155 °C hetelucht. Bekleed twee bakplaten met bakpapier. Zet een grote gekartelde spuitmond met een opening van ongeveer 12 mm in een stevige spuitzak.
02 -
Klop de zachte boter met de poedersuiker en het zout 4-5 minuten op middelhoge snelheid tot het mengsel glad en duidelijk lichter is. Schraap tussendoor de zijkanten en bodem van de kom schoon.
03 -
Klop een middelgroot ei los en weeg daarvan 30 g af. Voeg deze hoeveelheid met het vanille-extract toe aan de boter. Meng ongeveer 30 seconden tot alles gelijkmatig is opgenomen.
04 -
Voeg de tarwebloem toe en meng op de laagste stand tot je geen droge bloem meer ziet. Maak het deeg met een spatel gelijkmatig. Meng niet langer dan nodig en proef het rauwe deeg niet.
05 -
Vul de spuitzak hooguit voor de helft. Spuit 24 korte zigzagstroken van ongeveer 6 cm lang en 3 cm breed op de twee platen. Gebruik per koekje ongeveer een vierentwintigste van het deeg en laat 3 cm tussenruimte. Houd de dikte gelijk. Is het deeg te slap om ribbels te behouden, zet de gespoten koekjes dan 10 minuten in de koelkast.
06 -
Bak één plaat tegelijk in het midden van de oven gedurende 14-18 minuten. Controleer vanaf 14 minuten. De randen en ribbels moeten licht goudbruin zijn en het midden moet droog ogen. Laat de koekjes 5 minuten op de plaat liggen. Leg ze met een spatel op een rooster en laat ze ongeveer 20 minuten volledig afkoelen. Bak de tweede plaat op dezelfde manier.