01 -
Verwarm de oven voor op 200 °C boven- en onderwarmte of 180 °C hetelucht. Bekleed een bakplaat met bakpapier. Klop het ei los en weeg 25 g af voor de spijs. Bewaar het resterende ei afgedekt in de koelkast voor het bestrijken.
02 -
Meng het amandelmeel met de suiker, 25 g losgeklopt ei en de citroenrasp. Kneed tot een stevige, samenhangende massa. Vorm met schone handen een gelijkmatige worst van ongeveer 46 cm lang. Proef de rauwe vulling niet.
03 -
Bestuif het werkblad dun met de bloem. Rol het koude bladerdeeg uit tot een rechthoek van ongeveer 50 bij 12 cm en circa 3 mm dik. Houd de dikte gelijkmatig. Koel het deeg tussendoor als het slap of plakkerig wordt.
04 -
Leg de spijs in de lengte op het deeg met ongeveer 2 cm vrije ruimte aan beide uiteinden. Veeg losse bloem van de randen. Bevochtig één lange rand licht met het water. Vouw het deeg om de vulling met een kleine overlap en druk de naad stevig vast. Knijp ook beide uiteinden dicht en vouw het overtollige deeg daar naar onderen.
05 -
Leg de gevulde rol met de naad onder op de bakplaat. Buig hem voorzichtig tot een S met ruime bochten. Houd minstens 3 cm tussen de delen van de letter. Zet de bakplaat 20 minuten in de koelkast.
06 -
Bestrijk de gekoelde letter dun met het resterende losgeklopte ei. Bak in het midden van de oven ongeveer 30-35 minuten tot het bladerdeeg diep goudbruin is en de onderkant gaar en stevig aanvoelt. Controleer met een voedselthermometer dat het midden van de spijsvulling minstens 71 °C bereikt. Bak zo nodig langer. Dek de bovenkant losjes af met aluminiumfolie als hij te donker wordt.
07 -
Laat de banketletter 10 minuten op de bakplaat rusten. Schuif hem voorzichtig op een rooster en laat nog ongeveer 10 minuten afkoelen. Snijd met een gekarteld mes in tien stukken. De vulling kan langer heet blijven dan de buitenkant.