01 -
Verwarm de oven voor op 200 °C boven- en onderwarmte of 180 °C hetelucht. Bekleed een metalen bakplaat met bakpapier en plaats het ovenrooster iets onder het midden.
02 -
Was en schil de appels. Steek het klokhuis eruit met een appelboor. Maak de opening met een klein mesje voorzichtig ongeveer 2,5 cm breed zodat de vulling erin past. Houd de appels verder heel en dep ze droog.
03 -
Meng 60 g kristalsuiker met de kaneel en rozijnen. Snijd de boter in vier gelijke stukjes van 5 g.
04 -
Bestuif het werkblad licht met de bloem. Rol het koude bladerdeeg uit tot een vierkant van 40 bij 40 cm, ongeveer 2-3 mm dik. Snijd het in vier vierkanten van 20 bij 20 cm. Zet het deeg even terug in de koelkast als het slap of plakkerig wordt.
05 -
Zet een appel midden op elk deegvierkant. Stop een stukje boter onder in elke holte en verdeel het suiker-rozijnenmengsel over de vier appels. Vouw de deeghoeken omhoog. Maak de randen eventueel heel licht vochtig en druk alle naden dicht. Verdeel de plooien zodat bovenop geen dikke deegprop ontstaat. Zet de bollen met minstens 5 cm tussenruimte op de bakplaat.
06 -
Zet de ingepakte appelbollen 15 minuten in de koelkast. Bestrijk ze daarna dun met losgeklopt ei. Maak met een mespunt bovenin elke bol een klein stoomgaatje en verdeel de resterende 12 g suiker over de buitenkant.
07 -
Bak de appelbollen ongeveer 40-45 minuten tot het deeg goudbruin is en de bodem stevig en lichtbruin is. Steek een dunne prikker door het stoomgaatje schuin in het vruchtvlees. De appel is gaar wanneer de prikker met weinig weerstand naar binnen gaat. Dek een te donkere bovenkant losjes af met aluminiumfolie. Bak zo nodig telkens 5 minuten langer tot ook de appel gaar is.
08 -
Verplaats de appelbollen voorzichtig met een brede spatel naar een rooster. Laat ze 10 minuten rusten en serveer lauwwarm. Snijd voorzichtig open, want de vulling kan nog erg heet zijn.