01 -
Breng het water met 1 theelepel zout aan de kook. Boen de knolselderij schoon en snijd de bovenkant en wortelvoet weg. Zet hem op een vlakke kant en snijd de schil weg. Snijd 8 plakken van ongeveer 1 cm dik, samen ongeveer 800 g. Halveer de knol vooraf als dat stabieler snijdt en maak dan 8 halve schijven. Bewaar overige stukken voor een ander gerecht.
02 -
Laat de plakken voorzichtig in het water zakken. Kook ze vanaf het moment dat het water weer zacht kookt 7-10 minuten. Controleer vanaf 7 minuten. Een mespunt moet gemakkelijk door het midden gaan, maar de plakken moeten heel blijven. Schep ze met een schuimspaan uit de pan.
03 -
Leg de plakken in één laag op een rooster en laat ze ongeveer 5 minuten uitdampen. Dep de bovenkant, onderkant en randen zorgvuldig droog met keukenpapier. Ze mogen nog lauw zijn wanneer je ze paneert.
04 -
Doe de bloem in een diep bord. Klop de eieren los in een tweede bord. Meng in een derde bord het paneermeel met de peterselie, tijm, 1 theelepel citroenrasp, knoflookpoeder, peper en 1/2 theelepel zout. Snijd de citroen daarna in 4 partjes.
05 -
Haal elke plak aan beide kanten en langs de rand door de bloem. Schud het teveel eraf. Haal de plak door het ei en laat overtollig ei teruglopen. Bedek hem vervolgens met kruidenpaneermeel en druk de kruimels licht aan. Leg alle plakken naast elkaar klaar.
06 -
Verhit 2 eetlepels olie in een koekenpan van ongeveer 30 cm op middelhoog vuur. Bak 4 plakken zonder overlap gedurende 3-4 minuten per kant tot de korst goudbruin is en de binnenkant goed heet. Zet het vuur lager als de kruimels snel donker worden. Laat kort uitlekken op een rooster. Verwijder donkere kruimels uit de pan en bak de resterende plakken in de overige 2 eetlepels olie. Serveer direct, 2 schnitzels en 1 citroenpartje per persoon.