01 -
Meng 2 liter koud water met 2 eetlepels citroensap in een ruime kom. Boen het zand van de schorseneren onder stromend water.
02 -
Snijd de uiteinden weg en schil elke wortel met een dunschiller. Snijd in stukken van ongeveer 4 cm. Halveer bijzonder dikke stukken in de lengte. Leg de stukken meteen in het citroenwater.
03 -
Giet het citroenwater weg en spoel de stukken kort af. Doe ze in een pan en voeg vers water toe tot ze net onderstaan. Voeg 1/2 theelepel zout toe. Breng aan de kook en laat zacht koken. Controleer na 10 minuten met een mespunt. Meestal zijn ze na 10-15 minuten zacht met nog enige stevigheid. Geef dikke stukken zo nodig enkele minuten extra.
04 -
Maak de saus terwijl de schorseneren koken. Smelt 25 g boter in een sauspan op laag vuur. Roer 25 g bloem erdoor en laat 1 minuut al roerend garen zonder te kleuren.
05 -
Haal de sauspan van het vuur. Voeg 400 ml melk in kleine scheuten toe en klop elke toevoeging glad met een garde. Zet de pan terug op matig laag vuur en verwarm al roerend tot de saus zacht borrelt. Laat 2 minuten rustig doorkoken. Roer de nootmuskaat, witte peper en 1/4 theelepel zout erdoor.
06 -
Giet de gare schorseneren af en laat ze goed uitlekken. Schep ze voorzichtig door de witte saus en verwarm 1-2 minuten op laag vuur. Strooi de fijngehakte peterselie erover en serveer meteen.